8 oktober 2026
Geplaatst door PimJanmaat

In het eerste deel van de geschiedenis van Wolvenplein vertelde historicus Bert Poortman hoe deze plek ontstond als verdedigingswerk van Utrecht. Maar toen de militaire dreiging afnam, bleef er een enorm bolwerk achter. En daar wist Utrecht wel raad mee.

Want waarom zou je zo'n groot stuk grond ongebruikt laten liggen? Vanaf de zeventiende eeuw werd het bolwerk verpacht en begon een nieuw hoofdstuk, met een hoofdrol voor zijderupsen, lakmoes en exotische planten. Voordat Wolvenplein een gevangenis werd, was het namelijk vooral een plek waar Utrechters probeerden geld te verdienen.

Van kanonnen naar commercie
De eerste nieuwe gebruikers van de bolwerken kregen nog wel te maken met een belangrijke voorwaarde. Mocht Utrecht opnieuw worden bedreigd, dan moest alles wijken voor de verdediging van de stad. Gebouwen moesten worden afgebroken, bomen gekapt en het terrein moest weer vrij schootsveld worden.

Maar naarmate de tijd verstreek, raakte die militaire functie steeds verder uit beeld. Daarmee ontstond ruimte voor andere ideeën. En in de achttiende eeuw was één product bijzonder interessant: zijde.

Zijde was kostbaar. De grondstof kwam van ver en de productie ervan was arbeidsintensief. De fijne draad wordt gemaakt door de zijderups, die een cocon om zichzelf heen spint. Zo'n cocon bestaat uit een lange, dunne draad die kan worden afgewikkeld en met andere draden tot sterk garen wordt verwerkt.

Nederlandse handelaren importeerden tegen hoge kosten de zijde. Maar zelf produceren zou natuurlijk verdienstelijker zijn.

Zijderupsen op Wolvenburg
Zo ontstond het plan om ook in Utrecht zijde te produceren. Bolwerk Wolvenburg werd verhuurd aan welgestelde Utrechters die er witte moerbeibomen plantten. Niet omdat de Utrechters ineens massaal trek hadden in moerbeien, maar omdat de bladeren van deze boom voedsel zijn voor zijderupsen.

Het idee was eenvoudig: plant de juiste bomen, kweek de rupsen en produceer vervolgens zelf de kostbare zijde.

Alleen had niemand het Nederlandse weer verteld dat het aan het verdienmodel moest meewerken.

Zijderupsen gedijen goed onder vrij specifieke omstandigheden. Regen, kou, harde wind en sterke temperatuurschommelingen hielpen niet mee. De moerbeibomen konden hier wel groeien, maar een goed draaiende zijdeproductie bleek een stuk lastiger.

Toch geef je zo'n experiment niet na één natte Utrechtse zomer op. Een boom moet eerst groeien voordat duidelijk wordt of een plan werkt. Volgens Bert is er dan ook twintig tot dertig jaar geprobeerd om de zijdekweek van de grond te krijgen.

Uiteindelijk bleek het simpelweg niet rendabel genoeg.

Een kleine herinnering aan die bijzondere periode is vandaag trouwens nog op het terrein te vinden. In 2020 werd op Wolvenplein opnieuw een witte moerbei geplant. Niet om een nieuwe Utrechtse zijde-industrie te beginnen, maar als verwijzing naar het verleden van de plek.

Een fabriek vol tonnen
Na de zijderupsen volgde een compleet andere bedrijfstak. Rond het midden van de achttiende eeuw werd het terrein gebruikt voor de productie van lakmoes.

Wie bij een fabriek meteen denkt aan hoge schoorstenen, stampende machines en honderden arbeiders, moet dat beeld hier even loslaten. Volgens Bert was een lakmoesfabriek eerder een grote schuur met tonnen.

Lakmoes werd gemaakt uit korstmossen. Door die te bewerken ontstond een kleurstof die onder meer gebruikt kon worden voor het kleuren van voedingsmiddelen en textiel. Utrecht bleek er behoorlijk goed in. Van de naar schatting vijftien tot achttien lakmoesfabrieken in Nederland stonden er volgens Bert op een gegeven moment wel vijf in Utrecht.

Ook op Wolvenburg werd ongeveer een eeuw lang lakmoes geproduceerd.

Maar zoals eerder de zijdekweek werd ingehaald door de werkelijkheid, gebeurde dat uiteindelijk ook met de lakmoesproductie. Rond 1830 kwamen andere kleurstoffen op, waaronder indigo uit India. Die bleken aantrekkelijker en de lakmoesfabrieken verdwenen geleidelijk.

Opnieuw moest het bolwerk op zoek naar een nieuwe functie.

Van kleurstof naar kleurige planten
De laatste lakmoesfabrikant gooide het over een andere boeg. Hij had volgens Bert 'groene vingers' en veranderde het terrein in een kwekerij voor sierplanten.

Dat paste goed bij de tijd. In de eerste helft van de negentiende eeuw groeide de belangstelling voor aangelegde tuinen en buitenplaatsen. Welgestelde burgers wilden bijzondere bomen, struiken en andere sierplanten in hun tuin. Daarvoor waren kwekerijen nodig.

Het terrein rond Wolvenburg bood daar volop ruimte voor. De kwekerij beperkte zich zelfs niet tot alleen het voormalige bolwerk, maar strekte zich uit over een flink deel van de stadswal.

Tegelijk veranderde ook de rest van Utrecht. De oude verdedigingswerken verloren definitief hun militaire betekenis en de stad begon anders naar haar singel en stadswallen te kijken. Rond 1830 kreeg landschapsarchitect Zocher de opdracht een plan te maken voor de Utrechtse singel. De hoge wallen en verdedigingswerken maakten langzaam plaats voor een groenere stadsrand waar wandelen en recreëren belangrijker werden.

Wolvenburg bleef daarbij zijn eigen weg volgen. Waar op andere plekken delen van de oude stadsverdediging veranderden in plantsoenen, bleef hier ruimte voor bedrijvigheid.

Klaar voor een definitieve bestemming
Halverwege de negentiende eeuw kwam ook aan die periode een einde. De militaire functie van het bolwerk was inmiddels definitief verleden tijd. Dat betekende iets belangrijks: gebouwen op het terrein hoefden niet langer bij dreigend gevaar gesloopt.

Voor het eerst kon Utrecht dus nadenken over een echt permanente bestemming voor Wolvenburg.

Na eeuwen van kanonnen, zijderupsen, kleurstoffen en sierplanten lag er een groot terrein vlak bij de stad dat klaar was voor iets nieuws.

En Utrecht had daar inmiddels een behoorlijk concreet idee over.

Er moest een gevangenis komen.

Alleen dacht het Rijk daar nét iets anders over.

**In deel 3:** waarom de gevangenis bijna niet op Wolvenplein, maar in Oudwijk terechtkwam.